Onderstaand artikel over atelier Custers,
een atelier voor religieuze kunst in Eindhoven waar mijn overgrootvader
August Rummens lange tijd als beeldhouwer heeft gewerkt, is door mij
in opdracht van het blad "Brabant Cultureel" geschreven en
gepubliceerd in het aprilnummer van 2003 |
In de laatste week van oktober 1899 worden in de Joriskerk
in Stratum (sinds 1920 onderdeel van de gemeente Eindhoven) twee huwelijken
voltrokken. Op 26 oktober trouwt August Rummens, beeldhouwer in het atelier
van de broers Jan en Alphons Custers. Vier dagen later, op 30 oktober, trouwt
Jan Custers, een van de oprichters van het atelier voor religieuze kunst aan
de Geldropseweg 20 te Stratum. Enkele maanden na hun beider huwelijk wordt het
nieuwe hoogaltaar, waar zij samen met de overige werknemers van atelier Custers
lang aan gewerkt hebben, geplaatst in diezelfde kerk.
De Joriskerk in Stratum was een van de vele kerken in Nederland die sinds ±1850
werden gebouwd of verbouwd in neogotische stijl. Een stijl die bewust teruggreep
op de gotiek van de middeleeuwen, een tijd van enorme bloei van het katholicisme
en waardering voor de ambachten.
In de zuidelijke provincies waren Den Bosch, Roermond en Eindhoven de drie steden
die de toon aangaven in de neogotische architectuur en beeldende kunst. Een
probleem voor de ateliers was in de beginperiode wel dat in Nederland weinig
goede beeldhouwers waren. Veelal waren het de schrijnwerkers die zich ook in
het vervaardigen van religieuze beelden hadden bekwaamd. Zij misten echter de
verfijnde technieken van het houtsnijwerk die de neogotische ateliers nodig
achtten voor hun kunst. Vandaar dat deze ateliers een beroep gingen doen op
Vlaamse ateliers en daar hun kunst bestelden. Daarnaast gingen Nederlandse beeldhouwers
graag naar België om bijvoorbeeld op de Sint-Lucasschool in Gent een opleiding
te volgen. Een voorbeeld hiervan is Jan Custers. Maar ook werden vele goede
beeldhouwers uit België naar Nederland gehaald. Zo ook de vader van August
Rummens. Die verliet de stad Leuven in 1868 om te gaan werken in Roermond.
In Roermond zaten o.a. de zeer bekende ateliers van de architecten
Cuypers, Stolzenberg en Oor. Deze ateliers leverden kerkinterieur voor neogotische
kerken door heel Nederland.
Waarschijnlijk werd August Rummens tot beeldhouwer opgeleid in het atelier Cuypers
in Roermond. Ook zijn vader werkte daar. Hoewel August na zijn opleiding voor
dit atelier gewerkt heeft, is hij daar toch niet gebleven. Vaak hadden beeldhouwers
een rondreizend bestaan. Zij gingen van stad naar stad om te vragen of er ergens
een pastorie of atelier was waar zij werk konden krijgen. Vaak was dat werk
voor zolang een project duurde. Dat kon een jaar zijn, maar net zogoed korter
of langer. Ze werkten soms voor kost en inwoning of sliepen in een herberg die
logies voor werknemers van een plaatselijk atelier verzorgde. De lonen van werknemers
in de ateliers waren laag en de werktijden lang. In de zomer vaak 12 uur per
dag en in de winter als er minder daglicht was, zo’n 10 ½ uur.
Vakantie hadden de werknemers bijna niet. Met drie dagen per jaar mocht men
zich gelukkig prijzen. Het leven van een rondreizende beeldhouwer in die tijd
was onzeker en kon zoals duidelijk mag zijn vaak tot grote armoede leiden. De
vader van August had hem dan ook afgeraden beeldhouwer te worden. Die raad heeft
hij in de wind geslagen.
August Rummens vertrok bij het atelier Cuypers te Roermond in 1892 (hij was
toen 25 jaar) en ging naar Heinsberg net over de grens in Duitsland. Waarschijnlijk
heeft hij daar in het steenhouwersatelier van Maassen gewerkt. Daarna is hij
nog naar ateliers in Münster en Leuven in België geweest, voor hij
rond 1898 in het atelier van de gebroeders Custers zijn vaste werkplaats kreeg.
Jan Custers had zijn opleiding gedaan aan de Sint-Lucasschool
in Gent, een academie voor beeldende kunst. Jan begon de 8 jarige opleiding
in 1887 en voltooide die in slecht 5 jaar. Hij haalde vele prijzen en eervolle
vermeldingen in zijn studietijd. In zijn laatste leerjaar behaalde hij de grote
prijs der beeldhouwkunst en de prijs van het Sint-Lucas- en Sint-Jozef gilde
met het ontwerp van een Lucasbeeld voor de school.
De broers Custers werkten zeker al in 1894 in Stratum. Op 30 juni van dat jaar
plaatste Jan Custers een advertentie in De Meierijse Courant met een uitnodiging
aan belangstellenden om in zijn atelier in Stratum twee gepolychromeerde beelden
te komen bekijken die besteld waren door de parochiekerk van Gemert.
Waar het atelier op dat moment gevestigd was, is niet duidelijk. Waarschijnlijk
zat het atelier in een schuur op het terrein aan de Geldropseweg 20 te Stratum.
Op dit perceel was het transport bedrijf van de vader van de broers Custers
gevestigd. We weten wel dat in 1899 de broers een prachtig neogotisch huis hebben
laten bouwen op deze locatie. Een journalist van de Meierijse Courant schrijft
op 15 juli 1899 over het nieuwe huis en atelier: “Aan de zijde van zijn
nieuw gebouwd huis met zeer schilderachtigen voorgevel, waar in middeleeuwsche
figuren voorgesteld, de beeldhouwkunde en de schilderkunst op de voetstukken
zullen worden gebracht, die thans reeds onwillekeurig de aandacht trekken, heeft
de heer Custers zijn nieuwe expositiezaal gebouwd waar men zijne werken onder
het voordeeligst daglicht kan opnemen”.
Werknemers atelier Custers 1901/1902: linksvoor Alphons Custers, midden staand met de handen in de zij Jan Custers, derde van rechts (met pet) August Rummens. Ga met de muis over deze drie personen om de naam te zien |
De broers Jan en Alphons Custers hebben vele opdrachten gekregen voor interieurs van kerken in Eindhoven en ook elders in Brabant. Voorbeeld hiervan zijn o.a. de Joriskerk, kapel Eikenburg en de Paterskerk in Eindhoven en de Heilig-Hartkerk in Boxtel. Maar ook in België en zelfs in Paramaribo kregen zij opdrachten om kerkinterieur te leveren. Een enkele keer kregen zij opdrachten van particulieren die bijvoorbeeld een crucifix bestelden. Naast religieuze opdrachten werden soms ook andere opdrachten aangenomen als dit financieel aantrekkelijk was.
In de Joriskerk in Eindhoven heeft het atelier Custers o.a. het hoofdaltaar,
de preekstoel en de banken geleverd. Hieraan werd meer dan twee jaar gewerkt.
De werknemers hadden elk hun specialiteit. Zo was August Rummens figurist. Dat
wil zeggen dat hij vooral de gezichten en handen maakte. Naast de figusrist
werkten nog de ornamenteur, die vooral de fijne bloemversieringen maakte en
de polychromeur, welke zorgde voor de veelkleurige beschildering van de beelden.
Onontbeerlijk waren in het atelier natuurlijk ook de meubelmakers.
Het hoofdaltaar voor de Joriskerk was een groots kunststuk,
dat voor die tijd ook een klein vermogen heeft gekost voor de kerk die haar
besteld had. In de jaarrekening van 1897 vermeldt de penningmeester van de kerk
dat de jaarlijkse aflossing van de schulden dat jaar niet gedaan wordt. Dit
geld zal worden gebruikt samen met het overig batig slot
van de rekening voor de financiering van het hoogaltaar. Op de jaarrekening
van het jaar 1900 staat dat de kerk f 8505 heeft betaald voor het hoogaltaar.
Dat komt overeen met de prijs voor de nieuwbouw van een goed herenhuis in die
tijd. Voor de kerkbanken werd een bedrag van f 1550,45 betaald en dat was zonder
het in het vernis zetten van deze banken. Daar moest nog eens apart een aardig
bedragje voor worden neergeteld.
Een journalist van de Meierijse Courant schrijft op 13 maart 1900 over het hoogaltaar
voor de Joriskerk: “Daar staat, geheel in eikenhout gehouwen, het nieuwe
hoofdaltaar voor de kerk te Stratum, een waar, een grootsch stuk van laat gotieke
rijk geornamenteerde kunst”. “Wie dat alles nu aandachtig beziet,
wie die figuren beschouwt, hoe zij leven en spreken, door gebaren en houding
en blik, die bedenke eens wat er noodig is geweest voor dat uit een ruw stuk
hout zulk een heerlijk kunststuk werd; wat de makers groote idees en groote
opvatting, paren moeten aan een meester zijn over den beitel om het doode materiaal
zooveel leven in te blazen”.
Ondanks al deze lovende taal van tijdgenoten was er nog geen 70 jaar later weinig
meer over van de trots van de parochianen over dit prachtige altaar. Men besloot
het altaar te vervangen door een ander exemplaar gemaakt door Mengelberg uit
Utrecht. Delen van de houtsnijkunst van het hoogaltaar zijn gelukkig bewaard
en hebben een andere plaats gekregen in de Joriskerk. In de Paterskerk in Eindhoven
heeft atelier Custers ook een fraai hoogaltaar geplaatst. Daar zijn nog steeds
beeldhouwwerken te bezichtigen die gemaakt zijn door het atelier.
In de eerste decennia van de twintigste eeuw was de neogotiek als stroming in
de architectuur en de beeldhouwkunst op haar retour. Dit had voor de ateliers
voor beeldende kunst tot gevolg dat zij steeds minder kerken als opdrachtgevers
hadden. Zo was er naast het atelier van Custers in Eindhoven sinds 1882 de firma
van de Mark werkzaam in beeldhouwkunst. Hoewel dit atelier van Johannes en Wilhelmus
van der Mark rond 1895 een groot en veelzijdig bedrijf was, blijkt in 1910 dit
bedrijf de concurrentie van o.a de broers Custers niet meer aan te kunnen. De
firma van der Mark vertrekt dan naar Chicago.
Ook het atelier van Custers moet last hebben gehad van een teruggang in opdrachten.
In haar bloeiperiode had zij dertig tot veertig werknemers in dienst. De Eerste
Wereldoorlog bracht echter economische onzekerheid. De aanvoer van steen stagneerde,
de valuta schommelden en de lonen werden hoger. Dit had voor het atelier tot
gevolg dat zij tot twee keer toe personeel moest ontslaan. Misschien om die
reden werd August Rummens voor een tijdje uitgeleend aan een atelier in Den
Bosch. Waarschijnlijk is dat het atelier van Van Bokhoven geweest.
In diezelfde periode komt voor de broers Custers de opvolging
van hun bedrijf aan de orde. Jan Custers had vier dochters en een zoon, Lambertus.
Lambertus verkoos echter een opleiding tot priester te gaan volgen. In 1928
werd hij tot priester gewijd. Op 10 juni van dat jaar ging hij voor in een Heilige
Mis in de Joriskerk, de parochiekerk van de familie Custers.
Alphons had tien zonen, maar geen een van hen heeft de ambitie gehad om zijn
vader op te volgen en het atelier te gaan leiden. Toen Alphons op nog jonge
leeftijd in 1930 overleed, was dit voor Jan, samen met de economisch moeilijke
tijd voor het atelier, de reden om het atelier rond 1932 te sluiten. Enkele
werknemers van het atelier Custers begonnen na de sluiting van het atelier voor
zichzelf. Frans Franssen en Adrianus van Rooy gingen verder in het atelier van
Custers en de broers Marcel en Frans van Eck gingen eveneens aan de Geldropseweg
verder met een eigen beeldhouwatelier.
August Rummens was al rond 1915 gestopt met het vak van beeldhouwer. De reden
was echter van een andere aard. Door overbelasting bij al het fijn beeldhouwwerk
had hij “bibberhanden” gekregen en was dus niet meer in staat zijn
geliefde werk te doen. Daarnaast had hij ook nog eens last van silicose ofwel
“stoflongen”, het gevolg van het langdurig inademen van stof dat
vrij komt bij de bewerking van steen en hout. Beide ziekten kwamen veelvuldig
voor bij beeldhouwers. Pas in 1917 komt er een wet die o.a verbiedt te werken
met zacht zandsteen en kalk in dichte ateliers.
Zo was dus in 1932 een eind gekomen aan een uniek Eindhovens bedrijf voor religieuze kunst. Maar voor wie een liefhebbend oog heeft, is in Eindhoven en elders in Brabant nog veel fraai beeld- en houtsnijwerk uit het atelier van Custers te bewonderen.
Auteur: Carola Rummens, achterkleindochter van August Rummens
Met dank aan Peter Thoben en Marc Rummens.
Literatuur
Foto's
Websites